![]() |
||||
Het oude rekeningenboek
Dit boek bevat de rekeningen: alle inkomsten en uitgaven, vanaf het jaar 1854 tot 1911. Een korte wandeling in dit oude geschrift levert verrassend veel, uiteenlopende informatie op. Tot 1881 vergaderde de gilde in haar eigen gildenkamer op het gemeentehuis, waarvoor zij aan de gemeente een jaarlijkse huur van 4 frank betaalde. Ieder jaar werd deze huur stipt afbetaald. De huur van deze kamer bracht een aantal extra kosten mee: jaarlijks staan steenkolen, keersen en lampolie alsmede bezems en zand vermeld. (Tot een eind in de 20 e eeuw was het de gewoonte zand op de vloer uit te vegen. Na een tijd werd dit vuile zand vervangen door nieuw, proper zand). Gedurende de jaren 1854 tot 1881 namen een twintigtal leden deel aan de activiteiten van de gilde. Het lidgeld der leden was geen vast bedrag, integendeel: in 1854 betaalden zij 6.30 frank jaarlijks lidgeld, een jaar later 7 frank . De prijs van het lidgeld was namelijk afhankelijk van de uitgaven. Op het einde van het jaar werden de uitgaven opgeteld en gedeeld door het aantal leden: de uitkomst leverde het individueel lidgeld op. Zo betaalden de leden in 1857 aanzienlijk meer lidgeld om de veel zwaardere onkosten te dekken. Om een goede werking te waarborgen teerde de gilde in de loop van het jaar op voorschotten, ontvangen van de dekens en knaap, dewelke op het einde van het jaar renteloos werden terugbetaald. De gildenbroeders moesten zich echter geen grote zorgen maken. De voornaamste uitgaven waren ‘plezante kosten' met name teerkosten. Teren deed men met muziek. In 1856 werd, net als de daaropvolgende jaren, 30 frank betaald voor muzikanten. Ook toen verzaakte de gilde haar oud reglement niet. Zij hielden drie teerfeesten: er werd immers voor drie dagen tafelkosten of logement betaald voor de muzikanten (10 frank aan J. Vermuyten ). De belangrijkste uitgaande post, voor de helft van het totale budget, was ten koste van aankoop der bieren. In 1855 koopt de gilde 15 vaten witbier aan voor 95.40 frank . Andere drankposten waren “genever” (6,30 frank ) en huur der glazen (1,58 frank ). In 1867 kocht de gilde 10 liter jenever voor 12 frank . Vier jaar later had een gelukkige prijsrecessie plaatsgevonden: 11.5 liter jenever werd aangekocht voor dezelfde prijs. Het consumeren van al die dranken had zo zijn gevolgen. In 1876 herstelde J. Croes de tinnen of ijzeren bierpotten voor een prijs van 7,90 frank . Twee teerfeesten zijn voor ons herkenbaar: Verloren Maandag, waarvoor 2 frank teerkosten per persoon werd gerekend, en de Kermisprijs. In 1868 wordt voor het eerst notitie gemaakt van de Kermisprijs met als hoofdprijs een vat bier. De knaap ontving ieder jaar een voorschot op zijn ‘gazie' van 10 frank , het restant van ongeveer 4 frank werd op het eind van het werkingsjaar bijgepast. Slechts nu en dan staat ook een ‘gazie' vermeld voor inhuren van een tamboer en vendelzwaaier (1 frank ). Ook de koning had zijn kosten. Jaarlijks spendeert hij 2 à 3 frank aan “ plansoenen ”, regelmatig werd ook rogge aangekocht voor het onderhoud der doelen (2 frank in 1868). Regelmatig betaalde de gilde ook ‘zielsmissen' en ‘herdenkingsmissen' voor overledenen. In 1872 werd zelfs een ‘Requiem' gehouden voor 6,62 frank .
In 1882 werd de gilde uit het gemeentehuis gezet en verloor zij haar getrouwe gildenkamer. Wellicht door politieke twist want het ledenaantal daalt dat jaar van 20 naar 10. Niet alleen slinkt vanaf dat jaar het ledenaantal. Ook de inkomsten krijgen een flinke knauw. De uitgaven zijn vanaf 1882 daarentegen beduidend lager dan de voorgaande jaren: de verwarmings –en verlichtings-kosten vallen immers weg. Aan weduwe Van Bergen wordt huurgeld betaald voor een zaal (10.95 frank ). Met slechts tien gildenbroeders had men echter geen zaal meer nodig en men spreekt later dan ook van huurgeld voor een ‘kamer' (Carl. Jansen: 4.24 frank ). Ondanks een veel lager lidgeld, 4,45 frank i.p.v. 7 frank , groeit de gilde niet. Ook kan men niet slechts sporadisch nog een keer rekenen op sympathisanten en medeteerders. De crisis duurt tot in 1890. Vanaf dan telt de gilde 15 leden: een fikse groei. Eén van de toetredende leden is een bekende naam en misschien wel verre voorfamilie: “Jan Diels”. In 1907 kent men een unicum binnen de gilde. Ch. Croes is 50 jaar gildenbroeder en men spendeert 4,93 frank voor een stok met gouden lintje. Deze stok was wellicht de voorloper van de ‘Gouden Papegaai' in onze moderne gildentijd. Spijtig nieuws echter: Jan Diels treedt datzelfde jaar, na 17 jaar lidmaatschap, uit de gilde. In 1908 wordt de jubilaris Ch. Croes tot hoofdman gekozen met alle 10 stemmen der gildenbroeders. Flinke geldelijke verliezen en een tekort aan leden verplichten de kersverse hoofdman echter tot ontbinding van de gilde in 1911. De gilde is haar twist met de gemeente in 1882 nooit echt te boven gekomen. Het kastekort van 5,62 frank wordt door de negen leden opgehoest. De laatst geschreven woorden uit het boek luiden als volgt: “Ontbinding der Sint-Jorisgilde”. Bij algemeen bespreke wordt de maatschappij ontbonden en de bestaande voorwerpen worden onder de leden verlot. Er blijft nog voorbehouden en ter bewaring gegeven aan den Heere Carool Croes Hoofdman der St. Joris Gilde 1 e de oude boeken der St. Joris Gilde 2 e het vaandel, wimpelstaf en trommel Het beeld der St. Joris Gilde staande thans in de kerk St. Katharina te Hoogstraten blijft ook voorbehouden. Hoogstraten 12 December 1911 Edm. Bellens In hetzelfde oude rekeningenboek vinden wij ook een aantal losse bladeren terug. Een aantal zijn rekeningen uit de 18 e eeuw, vermoedelijk afkomstig uit een ouder boek.
|
||||