![]() |
||||
De Kaart van 1534 1. Inleiding In 1525 stelde de Eed van de Kruis –of voetboogschuttersgilde reeds een kaart op met hierin haar Statuten. Deze werd op verzoek van het bestuur in 1534 aan Antoon de Lalaing voorgelegd en, mits enkele wijzigingen, goedgekeurd. Deze gewijzigde kaart nemen wij in dit nummer even onder de loupe. Het ontleden van dit reglement geeft een specifiek beeld omtrent de gedragsregels in die tijd. Overtredingen werden beboet met ‘groten', ‘ponden' of ‘stuivers. Prettig is het om te weten wat dit vandaag zou betekenen. Daarom allereerst een schets omtrent het muntstelsel uit de 16 e eeuw. Vanaf de 12 e eeuw werd afgestapt van de gewichtswaarde der munten. Men ging de munten niet meer wegen, maar wel tellen. Alzo kende men een standaardisering van muntstelsels. In Hoogstraten was de belangrijkste munteenheid het Pond Artois. Zulk een Pond bestond uit 40 Groten en 240 Deniers. Om een beeld te scheppen omtrent de huidige waarde van deze munten: in 1535 verdienden goed geschoolde werklieden ongeveer 2 schellingen of 4 groten per dag. Dit kan opgemaakt worden uit de betaalde rekeningen omtrent de bouw van de Sint-Katharinakerk. 2. Inhoud van de Kaart 2.1. Macht De Sint-Jorisgilde van Hoogstraten was een erg machtig orgaan. Zij bestond hoofdzakelijk uit vooraanstaande, rijke poorters uit de ‘Vrijheid'. Dit is af te leiden uit volgende Artikels van de kaart van 1535: Artikel 29: Elk is verplicht schutterskleren te hebben met versierselen op de mouwen op boete van twee gouden Karolusgulden. Gezien de waarde van de geldstraf moeten de Hoogstraatse schutterskleren in die tijd enorm duur zijn geweest. Dit duidt op opzichtige praalkledij met erg rijkelijke versieringen, dewelke slechts voor de rijke poorters was weggelegd. Artikel 5: Iedere schutter moet een boog, een riem, een haak en een koker hebben, op straf van 12 groten boete. Artikel 17: Wanneer iemand een boog van minstens 5 stuivers waarde beschadigt, dan zal de gild de helft van de onkosten betalen. De boog op zich was niet zo erg duur blijkt: slechts 5 stuivers of een kleine halve maandwedde van een werkman. Het bezit was echter verplicht en de boete bedroeg minstens evenveel als de waarde van de boog. Toch bleef ook dit weer onbetaalbaar voor de gewone man. Het dagelijks leven was duur, meestal kampte het gewone volk met een enorm geldgebrek. Zij konden immers niet iedere dag aan de slag. In 1535 bestond de Hoogstraatse gilde dus uit de meest vooraanstaande zakenlui en ambtenaren van ‘de Vrijheid'. Deze groepering was uitzonderlijk machtig. Dit kon ook Antoon de Lalaing voorspellen. Om zijn macht over de gilde te bewaren wijzigde hij in 1535 op volgende wijze het reglement: a. Er zal met goedkeuring van de Heer of van de drossaard een Hoofdman gekozen worden. b. Wie de vogel schiet zal ieder jaar weer Koning zijn. c. Er zullen twee dekens zijn met meerdere gezworenen of oudermannen en een knaap. d. Het getal schutter zal niet meer dan 40 bedragen. In de benoeming van de Hoofdman had Antoon de Lalaing steeds de hand. Om de gilde te leiden kon hij steeds zelf iemand aanstellen. Meestal werd de drossaard, de plaatsvervanger en vertrouwensman van de Graaf, aangesteld als Hoofdman van de gilde. Het aantal leden was beperkt. Een kleine groep was en is nog steeds gemakkelijker te controleren dan een grote groep. De Eed, of het dagelijks bestuur, was samengesteld uit twee Dekens en een aantal Oudermannen. Artikel 26: Feestmaaltijd van de Sint-Jorisschutterij geschilderd door Frans Hals (1612) Als men de vogel schiet (Koningsschieting), zullen de dekens en gezworenen de jaarrekening voorleggen; één van elk zal aftreden en door een nieuwe vervangen worden.Jaarlijks werd één der dekens en één der Oudermannen herverkozen. Alzo was niemand bij machte zijn macht gedurende meerdere jaren te ontplooien en uit te breiden.2.2. De feestende gilde Drinken en eten was de belangrijkste activiteit van de gilde. Meer dan de helft van de reglementen uit de kaart heeft betrekking op feestelijkheden en het gedrag der leden tijdens deze feestgelagen. De gilde diende 4 teerfeesten te organiseren: Artikel 21: Er zullen 4 kolfdagen gehouden worden: op Kermis, Sint-Jorisdag, Verloren Maandag en op de dag dat men de vogel schiet. Of men aanwezig is of niet, elk zal de kosten helpen betalen.Ook vandaag nog kennen wij deze teerfeesten. Het uitteren met Hoogstraten Kermis, het interen rond Sint-Jorisdag en het uithalen der Rozenprijzen op Verloren Maandag. Het Groot Teerfeest vervangt het teerfeest van de vroeger jaarlijks gehouden Koningsschietingen. Naast deze teerfeesten namen de gezellen deel aan andere feestelijkheden. Op de huwelijksfeesten van de gildenbroeders of van hun dochters, werd steevast gans de gilde uitgenodigd. Artikel 8: Wanneer een schutter trouwt, zal hij al de gezellen doen uitnodigen door de knaap en elke gezel zal minstens 12 groten geven. Wie op het huwelijk niet aanwezig is of zijn schutterskleren niet aan heeft, zal 6 groten boete betalen.: 3 voor het juweel en 3 voor de bruidegom. De bruidegom zal aanstonds 15 stuivers betalen voor de handschoenen en het trouwbier, op straf van 12 groten boete. Eerste conclusie: Trouwen bracht geld op! In de veronderstelling dat veertig leden 12 groten betalen komt dit neer op 480 groten of 12 pond. Ter inlichting: de jaarwedde van Rombout Kelchtermans, bouwheer van onze kerk, bedroeg in 1527 reeds 10 pond. We houden dan nog geeneens rekening met de bijkomende boeten van afwezigheid of ongehoorzaamheid . Tweede conclusie: Het huwelijk, dat zich afspeelde in hogere kringen, was een erg weelderig galafeest. Het aanwezig zijn was een eer, het afwezig zijn een grote oneer. De mooi geklede gildenbroeders werden echter niet met lege handen naar huis gestuurd. Zij ontvingen als dank 15 stuivers voor het trouwbier en de vervuilde handschoenen. Een ton bier kostte in die tijd 14 stuivers. 2.3 Het gildenbroederlijk gedrag Voornamelijk tijdens de teerfeesten en bijeenkomsten liet het gedrag der gildenbroeders blijkbaar te wensen over. Daarom werden zware boeten opgelegd om dit aan banden te leggen. Artikel 11: Als de schutters vergaderd zijn en samen drinken en de dekens willen afrekenen, zullen zij moeten betalen op boete van 6 groten. Artikel 23: Wie zijn gelag niet betaalt heeft 6 groten boete. Artikel 19: Alle teerkosten moeten onmiddellijk betaald worden. Er werd dus veel bier gedronken… 6 groten is meer dan een dagloon van een goede werkman. Betalen was een andere kwestie. Maar liefst drie artikels werden ingevoerd om wanbetalingen te voorkomen. Vast staat dat niet betalen later zwaar in de portemonnee woog. Onze gildenbroeders moesten bekwame en geoefende drinkers zijn want: Artikel 12: Wie bij een teerfeest dronken is, zal 6 groten boete betalen . Men diende een zekere etiquette te bewaren tijdens de bijeenkomsten en teerfeesten van de gilde. Zware boeten werden geïnd op onbetamelijk gedrag. Artikel 13: Niemand mag een pot bier in één teug ledigen op boete van 6 groten . Voor bewezen diensten ontving de gilde meermaals een ton bier van de Heer of van de gemeenschap. Dit gratis bier werd geconsumeerd in het gildenhuis. De gildenbroeders mochten echter niet gulzig zijn: men diende minstens tweemaal van zijnen pot te drinken alvorens men deze terug mocht gaan vullen. Artikel 14: Wie zweert, liegt, vloekt of kijft, heeft 9 groten boete. Een gildenbroeder moest zich kwijten van een goed christelijk gedrag. Zweren, vloeken, liegen en kijven worden door de bijbel verworpen, zo ook binnen de gilde. Een niet zedelijk gedrag werd enorm zwaar beboet.
|
||||